maandag

Maar.....
Niets te maren.
Maar .......
Heb je me niet gehoord?
Jawel, maar .........
Wat zei ik?
Je zei: Niets te maren
Dat zei ik
Maar .......

Nu is het hier

Dit en dat en zus en zo en ondertussen doe ik niets. Ik reis door de tijd, van nu naar straks, van hier naar daar en weer terug. Wat eten we vanavond? Wat doen we morgen? Wanneer gaan we naar die goede film? Ik moet de zorgverzekering nog regelen. Mijn moeder bellen. Volgende week naar Leeuwarden. Hoe laat gaan we weg? En juni? Naar Zweden? Ik loop door de bossen. Het licht blijft ‘s avonds aan. Binnen en buiten. Ik deel een keuken met mensen zonder gezichten. Ik heb mijn koffer al gepakt. De nieuwe camera gekocht. Het paspoort verlengd. Alle dromen gedroomd. De dagen afgeteld. Ben al weer teruggekomen voordat ik weg ben geweest.
En later? Als ik veertig ben? Vijfenveertig? Vijftig? Ik word vijftig, nu, ik ben vijftig. Ik ben vijftig en hier, in het huis dat mijn huis is. Ik was gisteren in Zweden en ben morgen in Moskou. Ik heb de dingen gedaan. Ik zit aan mijn tafel achter mijn computer. Doe dit en dat en zus en zo en ondertussen niets. Ik reis door de tijd, van nu naar straks, van hier naar daar en weer terug. Ik ben twaalf, zeventien, vierentwintig. Geef de kat die al jaren dood is te eten. Zie mijn vader voor het eerst en het laatst. Kijk uit het raam, uit een ander raam, uit een ander huis, naar dezelfde lucht. Het regent, de zon schijnt, het onweert, de nacht valt, de hagel, de lentebries, de deken van sneeuw, de tropische warmte, de windvlaag, de mistbank, het tocht door de kieren van mijn geheugen.
Ik word zeventig, tachtig, negentig, ik word mijn buurvrouw, mijn grootmoeder, ik word een tandeloos wezen, een hoofd als de wereld, ik loop langs de slootkant, ik wil springen, één is genoeg om te sterven, te leven, één mens, één sloot, één geheugen. Ik was er ooit zeven, of zestien, of dertig. Ik was er ooit geen.

Lente

Lente, lente! De buurman kruipt op zijn bejaarde knieën over de stoep, zijn stoep, onze stoep, kruipt en steunt en schraapt om ongewenst groen te verwijderen. Lente, eindelijk is het er weer, ik hunker naar groen, met lede ogen zie ik de eerste sporen in de goot verdwijnen. Onze stoep is weer netjes. We hoeven ons niet te schamen. Dit is de stad. Hier is alle groen onkruid. Hier is lente zachte regen en lange rijen voor het Anne Frankhuis en gekken in dikke jassen op koude terrassen. En de zon is God. Wij buigen ons hoofd en halen de zonnebrillen uit het stof. Mijn buurman knielt. En schraapt de lente uit de tegels.

zondag

Evenwichtskunstenaars

Later werd alles anders. Aan de overkant stonden steigers, een kunstig bouwwerk met helemaal bovenop een kleine groep balancerende mannen. In het circus had ze eens twee trapezewerkers gezien die met een zelfde onverschilligheid de hoogte tarten. Ze had door de spleetjes tussen haar vingers moeten kijken. Ze had zich ingehouden toen de sierlijke juffrouw in het glitterpakje de trapeze losliet, een salto maakte in de lucht en daarna schijnbaar eindeloze seconden doodstil in de lucht hing voordat ze de polsen van haar tegenspeler te pakken had. Maar de vrouw naast haar had wel een kreet geslaakt. Zij zat met wijd open ogen te kijken.
Nu had ze daar geen last van. Ze zou geschokt zijn als één van die mannen plotseling naar beneden viel, dat wel, maar het was toch een heel verschil of er zo’n bonkige kerel in overall op het troittoir kletterde of een lichtvoetig meisje met gouden haren. Of niet? Soms betrapte ze zichzelf op overtuigingen waarvan ze zich dan even later afvroeg of die wel in de haak waren. De mannen gingen ondertussen rustig verder met wat ze aan het doen waren. Het maakte een hels kabaal en in een mum van tijd was de hele straat gevuld met een fijn wit stof. Een plaatselijke mist. De buurmannen zouden vloeken als ze zagen hoe hun schoongewassen auto’s eruit zagen alsof ze er mee door de woestijn hadden gereden. Dat gaf ze weer iets om over te praten. Lang leve de grote stad.
Tussen de middag zaten ze in het witte busje waar ze in aangekomen waren. Met z’n drieën gebroederlijk op een rijtje voorin, de broodtrommels naast elkaar op het dashbord. Ze spraken over voetbal. Waarschijnlijk. Ze zag ze lachen en van tijd tot tijd heftige armbewegingen maken. ‘s Middags waren ze wat langzamer. De koffiepauze duurde en als de één zich uitrekte prikte de ander hem in zijn zij. De dag zat er bijna op. De benen werden zwaarder.
Eén dag regende het erger dan voorspeld. Het begon net nadat ze naar boven waren geklommen. De derde man hing nog ergens in het midden van de steiger om een bevestigingspunt te controleren. Of zoiets. De lucht klapte open en een enorme bak water werd naar beneden gekieperd. Binnen tien seconden waren ze drijfnat. Binnen twee minuten zaten ze weer in het busje. Achterin deze keer om de stoelen voorin niet nat te maken. Ik vroeg me af of ze droge kleren bij zich hadden. Of ze genoeg koffie hadden om de ochtend door te komen. Wat deden ze daar in dat busje? Hadden ze genoeg gespreksstof? Ik zag ze zitten op hun klapstoeltjes met een boek op schoot, af en toe met de haren schuddend om nog wat druppels kwijt te raken. Van tijd tot tijd wierpen ze een blik uit het raam naar de loodgrijze lucht en zuchtten. Ze waren meesters in het zuchten. Vooral de oudste van de drie. Hij had in zijn leven heel wat afgezucht. Voor een beetje regen draaide hij zijn hand niet om. Alles wat het zuchten waard was werd bediend met een goede zucht. Hij zuchtte nog eens. De anderen keken hem bewonderend aan.

Leven

Ik leef in mijn woning, ik vertik het om een voet buiten de deur te zetten, de mensen zijn monsters, de straten zijn besmeurd met hun vuil en in de lucht hangt hun stinkadem, erger dan smog. Naar buiten kijken lukt nog wel. In het midden van mijn ramen is een stuk ondoorzichtig plastic geplakt. Rompen zonder hoofd lopen voorbij. Alleen kinderen hebben ogen en oren in beeld, kijken zich mijn wereld binnen.
Was ik ook zo? Klein van stuk met een hoofd waar de hele wereld in paste? Het zal wel. Ik kan het me nog vaag herinneren, als een boek dat ik ooit las, de verhaallijn is blijven hangen maar de indrukken zijn verdwenen. Liep het goed af? Het is maar hoe je het bekijkt. Na het laatste woord een eenzame punt. Zo loop ik ook af. Het laatste woord. Maar wie zet die punt?
Vroeger geloofde ik in God zoals ik in Superman geloofde. Toen ik ouder werd moest ik kiezen. Superman won. God nam zijn verlies zoals een heer dat doet. Maar hij lachte in zijn vuistje. “Wacht maar,” dacht hij. Maar ik kon zijn gedachten lezen. “Dat doe ik dus niet,” dacht ik. Wachten is voor mietjes.
God de heer, in mijn familie is hij een rare oom die nooit op bezoek komt en ergens ver weg een onduidelijk leven leidt. Mijn grootmoeder ontduikt de vraag of ze in God gelooft. Twee dode kinderen hebben zijn zaak geen goed gedaan. De pastoor vindt ze een enge man. Ze gelooft in haar kippen. Die leggen elke dag een ei.
Eén kookt ze er elke ochtend. Eén gaat er ‘s avonds in de sla. Vier gaan in een doosje. Vier of vijf doosjes per week. Voor elk kind één. En met Pasen is het feest. God komt dan ook weer even om de hoek kijken. Misschien eet hij een eitje mee.

Zij (4)

Rinkelde de telefoon al lang?
“Hallo. We zijn er niet. Laat een boodschap achter na de piep of probeer het later nog eens. Daaaag.”
Een leugen. Onschuldig weliswaar, maar toch. Ze zou hem vragen om de boodschap te veranderen. Er werd ingesproken maar ze hoorde niets. Het rode lichtje ging knipperen. In een impuls pakte ze op. “Hallo?” Te laat. De hoorn rook naar koffie. Ze stak haar tong uit en likte aan het spreekgedeelte. Het smaakte ook naar koffie.

Ze zette koffie. Klopte melk. Viste een onsmakelijk ogend koekje uit de keukenkast. Dronk de koffie. At het koekje. Smeerde een boterham. Sneed zich in haar hand. Haar linkerwijsvinger lag verloren op het broodplankje. Het mes zat nog altijd in haar rechterhand. Behaaglijk.
“Wat zou je doen?” Nu wist ze het wel. Inpakken in ijs. Hand afbinden. Ambulance bellen. Of flauwvallen en wachten tot hij haar vond. Romantischer maar onpraktischer. Dat zou haar misschien de vinger kosten. Hoe lang zou het duren voordat je leeggebloed was? Zou de wond die een afgesneden vinger oplevert daar groot genoeg voor zijn? Ze likte een enkele druppel bloed op en zocht de huidkleurige pleisters om de wond te camoufleren.