zondag

Evenwichtskunstenaars

Later werd alles anders. Aan de overkant stonden steigers, een kunstig bouwwerk met helemaal bovenop een kleine groep balancerende mannen. In het circus had ze eens twee trapezewerkers gezien die met een zelfde onverschilligheid de hoogte tarten. Ze had door de spleetjes tussen haar vingers moeten kijken. Ze had zich ingehouden toen de sierlijke juffrouw in het glitterpakje de trapeze losliet, een salto maakte in de lucht en daarna schijnbaar eindeloze seconden doodstil in de lucht hing voordat ze de polsen van haar tegenspeler te pakken had. Maar de vrouw naast haar had wel een kreet geslaakt. Zij zat met wijd open ogen te kijken.
Nu had ze daar geen last van. Ze zou geschokt zijn als één van die mannen plotseling naar beneden viel, dat wel, maar het was toch een heel verschil of er zo’n bonkige kerel in overall op het troittoir kletterde of een lichtvoetig meisje met gouden haren. Of niet? Soms betrapte ze zichzelf op overtuigingen waarvan ze zich dan even later afvroeg of die wel in de haak waren. De mannen gingen ondertussen rustig verder met wat ze aan het doen waren. Het maakte een hels kabaal en in een mum van tijd was de hele straat gevuld met een fijn wit stof. Een plaatselijke mist. De buurmannen zouden vloeken als ze zagen hoe hun schoongewassen auto’s eruit zagen alsof ze er mee door de woestijn hadden gereden. Dat gaf ze weer iets om over te praten. Lang leve de grote stad.
Tussen de middag zaten ze in het witte busje waar ze in aangekomen waren. Met z’n drieën gebroederlijk op een rijtje voorin, de broodtrommels naast elkaar op het dashbord. Ze spraken over voetbal. Waarschijnlijk. Ze zag ze lachen en van tijd tot tijd heftige armbewegingen maken. ‘s Middags waren ze wat langzamer. De koffiepauze duurde en als de één zich uitrekte prikte de ander hem in zijn zij. De dag zat er bijna op. De benen werden zwaarder.
Eén dag regende het erger dan voorspeld. Het begon net nadat ze naar boven waren geklommen. De derde man hing nog ergens in het midden van de steiger om een bevestigingspunt te controleren. Of zoiets. De lucht klapte open en een enorme bak water werd naar beneden gekieperd. Binnen tien seconden waren ze drijfnat. Binnen twee minuten zaten ze weer in het busje. Achterin deze keer om de stoelen voorin niet nat te maken. Ik vroeg me af of ze droge kleren bij zich hadden. Of ze genoeg koffie hadden om de ochtend door te komen. Wat deden ze daar in dat busje? Hadden ze genoeg gespreksstof? Ik zag ze zitten op hun klapstoeltjes met een boek op schoot, af en toe met de haren schuddend om nog wat druppels kwijt te raken. Van tijd tot tijd wierpen ze een blik uit het raam naar de loodgrijze lucht en zuchtten. Ze waren meesters in het zuchten. Vooral de oudste van de drie. Hij had in zijn leven heel wat afgezucht. Voor een beetje regen draaide hij zijn hand niet om. Alles wat het zuchten waard was werd bediend met een goede zucht. Hij zuchtte nog eens. De anderen keken hem bewonderend aan.