zondag

Hij (1)

Hij telde. Hij begon bij de tanden, kiezen, hoektanden, voortanden. Ogen, oren, wenkbrauwen, neusgaten, lippen, alles telde, alles wat minstens één was en van alles was er minstens één. Hij telde zichzelf, armen, vingers, nagels, moedervlekken, beenharen, wimpers, bilspleet, ballen, knieën, tepels, borstharen. Hij telde en telde en telde, rimpels, hoofdhaar, schaamhaar, sproeten, poriën, hij telde en bevond zichzelf oneindig.