zondag

Leven

Ik leef in mijn woning, ik vertik het om een voet buiten de deur te zetten, de mensen zijn monsters, de straten zijn besmeurd met hun vuil en in de lucht hangt hun stinkadem, erger dan smog. Naar buiten kijken lukt nog wel. In het midden van mijn ramen is een stuk ondoorzichtig plastic geplakt. Rompen zonder hoofd lopen voorbij. Alleen kinderen hebben ogen en oren in beeld, kijken zich mijn wereld binnen.
Was ik ook zo? Klein van stuk met een hoofd waar de hele wereld in paste? Het zal wel. Ik kan het me nog vaag herinneren, als een boek dat ik ooit las, de verhaallijn is blijven hangen maar de indrukken zijn verdwenen. Liep het goed af? Het is maar hoe je het bekijkt. Na het laatste woord een eenzame punt. Zo loop ik ook af. Het laatste woord. Maar wie zet die punt?
Vroeger geloofde ik in God zoals ik in Superman geloofde. Toen ik ouder werd moest ik kiezen. Superman won. God nam zijn verlies zoals een heer dat doet. Maar hij lachte in zijn vuistje. “Wacht maar,” dacht hij. Maar ik kon zijn gedachten lezen. “Dat doe ik dus niet,” dacht ik. Wachten is voor mietjes.
God de heer, in mijn familie is hij een rare oom die nooit op bezoek komt en ergens ver weg een onduidelijk leven leidt. Mijn grootmoeder ontduikt de vraag of ze in God gelooft. Twee dode kinderen hebben zijn zaak geen goed gedaan. De pastoor vindt ze een enge man. Ze gelooft in haar kippen. Die leggen elke dag een ei.
Eén kookt ze er elke ochtend. Eén gaat er ‘s avonds in de sla. Vier gaan in een doosje. Vier of vijf doosjes per week. Voor elk kind één. En met Pasen is het feest. God komt dan ook weer even om de hoek kijken. Misschien eet hij een eitje mee.