zondag

Nieuw atelier

Onder de grond is alles anders. De buitenwereld is zichtbaar maar slechts in kleine stukjes. Vier kleine ramen bieden een glimp op de wereld boven de grond. Tweevoeters lopen langs, nietsvermoedend. Auto’s zijn niet meer dan een geluid, een grauw. Ik ben onzichtbaar hier. Onder de grond. Ik heb een oude platenspeler geïnstalleerd en mijn oude platen geordend. Soms dans ik op de stenen vloer waar op een enkele plek het grondwater doorheen sijpelt. Ik denk er wel eens over om een bed te plaatsen, om mijn leven hier te leven. Als ik hier ben wil ik niet meer weg. Als ik hier ben is de buitenwereld iets om naar te verlangen, precies zoals het zou moeten zijn. Als ik buiten rondloop voel ik mij onwennig. Ik hoor hier niet, tussen al die mensen die genieten van het licht en de geluiden, die luidruchtig “Goedemiddag!” roepen tegen medestadsbewoners. Die in elke etalage kijken en zichzelf begroeten, “Goedemiddag!” keer op keer op keer op keer. In mijn hol is het veilig. Er zijn boeken en oude tijdschriften en een blauwe muur die blauwer is dan wat dan ook, blauwer dan de lucht en de zee samen. Meestal zit ik met mijn rug naar die muur. Ik kan er uren naar kijken, naar die muur. Als ik begin ben ik niet meer te stoppen, alle klokken draaien op full speed en als ik tien keer heb ingeademd en uitgeademd is het al drie uur later.
Ik weet nog dat ik de verf kocht. Het was bij de Hema. Een mevrouw bediende de mengmachine. Ik vroeg haar om pauwblauw te mengen met zeegroen en blue sky. Blue sky. Waarom heette het niet gewoon blauwe luchten? Blue sky. Het was me niet blauw genoeg, de blue sky. Het had het blauw van een maandagmiddag in april, niet te warm, niet te koud, een beetje zon maar niet genoeg om de terrassen buiten te zetten. Zou het gaan regenen? Het zou vast gaan regenen. Blue sky. Maandagmiddagblauw. Maar gemengd met pauwblauw en zeegroen .............
Onder de grond is het koud. De hete adem van de haastende medemens ontbreekt. De warme uitlaatgassen, de oververhitte stadsautomotoren, de loeihete stoeptegels in de winkelstraten, allemaal ergens ver van hier. Ik heb een plaid. Het is groen als gras. Liever zou ik het op de vloer leggen en er naar kijken, er op gaan zitten misschien totdat mijn billen het niet meer uithouden. Maar ik leg het over mijn benen.
Iemand woont boven mijn ondergrondse kamer. Ik zie hem niet. Of is het een zij? Alleen als hij zich doucht. Als zij zich doucht. Als het water door de buizen loopt zie ik hem staan, in zijn volle naakte glorie midden in mijn domein. Als het water door de buizen loopt zie ik haar staan, in haar volle naakte glorie midden in mijn domein.
Het hoofd is een vreemd huis. Daar zou ik niet in willen wonen.