zondag

Zij (2)

Een bewingloos beroep, schrijver. Op het ijsberen na. Het ijsberen beheerste ze tot in de puntjes. Als kind had ze gelachen om Dagobert Duck die een cirkel in de vloer sleet als hij zich in rondjes door zijn kamer bewoog, nadenkend over de één of andere manier om het geld dat hij was kwijtgeraakt weer terug te winnen. Haar ijsberen was voorzichtiger, bescheidener, heimelijker. Ze liep van de tafel naar de keuken, van het keukenblok naar het keukenraam, van het raam naar de kelder, van de kelder naar het keukenraam en weer terug de woonkamer in. Ze smeerde boterham na boterham, gaf de planten één voor één water (en bedacht dat het woord planten slechts 1 letter verschilde van het woord planeten), zette koffie, dronk de koffie, zette nog meer koffie, dronk nog meer koffie, keek uit het raam, at een boterham, controleerde of de voordeur op slot zat, zette een c.d. op, ging weer achter haar computer zitten, vroeg zich af of ze nog een kopje koffie zou zetten, stond op, bedacht zich, ging weer zitten en zette toen toch nog een kopje koffie dat ze maar voor de helft opdronk terwijl ze las wat ze tot nu toe geschreven had.